Lipoedeem werd in 1940 voor het eerst beschreven door de Amerikaanse artsen Allen en Hines, die al wezen op de typische vetverdeling en de grote lichamelijke en psychische impact van deze aandoening. Ondanks toenemende wetenschappelijke aandacht is de exacte oorzaak nog steeds niet volledig opgehelderd. Onderzoek richt zich onder meer op genetische aanleg, hormonale invloeden en afwijkingen in het bloed- en lymfestelsel, maar over de exacte oorzaak is nog geen consensus.
Studies tonen wel duidelijk de grote impact op de levenskwaliteit. In een onderzoek van dr. Josef J. Stutz bij 100 lipoedeempatiënten rapporteerde 80% een pijnscore van 5 of hoger, terwijl 59% zelfs tussen 7 en 10 scoorde.
Verder blijkt dat lipoedeem vaak pas laat wordt herkend. Bij ongeveer 50% van de patiënten duurt het meer dan tien jaar voordat de juiste diagnose wordt gesteld, soms zelfs tot dertig jaar. Hierdoor leven veel patiënten jarenlang met pijn en beperkingen zonder gerichte behandeling.
Onderzoek van Marshall en Schwahn-Schreiber suggereert bovendien dat ongeveer 9,7% van de vrouwen tekenen van lipoedeem vertoont, wat erop wijst dat het om een veelvoorkomende maar nog vaak ondergediagnosticeerde aandoening gaat. Vroege herkenning en passende behandeling zijn daarom gewenst om verdere klachten te beperken.
Na een lipoedeembehandeling met liposuctie blijkt dat weinig tot geen nieuwe vetstapeling meer optreedt in de weefsels en tussen de cellen. Een lipoedeembehandeling kan de levenskwaliteit aanzienlijk verbeteren.